Morgenstond

July 6, 2017

Ik hoor bij de vroegoppers, ben een pluk-de-dagger, de morgenstond heeft goud in de mond. Dat soort dingen. Ik sta steevast om half zeven op, in het weekend mag het dan wel eens half acht zijn, maar gekker moet het niet worden. Als ik ’s morgens richting Hoofddorp rijd heb ik er al een halve dag op zitten. Dan is er gedoucht, gegeten, een was in en uit de machine, de vaatwasser leeg, heb ik een peuterpyjama gekocht en ben ik bij de kapper geweest. En dan moet het nog 10 uur worden.

 

Dat matineuze gedrag komt prima van pas, want zo’n twee keer per week wandel ik al om acht uur bij de buren binnen. Mama is aan het werk en papa moet de oudste naar school brengen. Die wil graag op de fiets, maar een meisje van zeven laat je niet alleen over de Vuurlijn peddelen en een babymeisje van zeven maanden laat je niet alleen thuis. Dus mag ik dat frummeltje uit bed halen, aankleden en volledig gelegitimeerd een half uurtje doodknuffelen. Vinden we allebei leuk.

 

Maar op vrijdag hoef ik niks, dan fiets ik richting zwembad en écht die Vuurlijn is ’s morgens vroeg een stuk leuker dan later op de dag. Het maïsveld ziet er nog fris en koel uit, op de paaltjes zit een koppel kraaien die ik er van verdenk Roeken te zijn, want ze zijn onwijs groot en kijken mij nijdig en zwart aan. Het is hetzelfde echtpaar dat elke dag mijn koolmezenvoederbunkertjes komt torpederen. De enige die ik verder nog tegenkom is de grasmaaier die de kanten netjes kortwiekt. Daar wordt iedereen blij van, zeker de honden uit de buurt die daar uitgelaten worden, want het poept een stuk lekkerder op een vlakke grasmat dan met je hondenbillen tussen de distels te moeten zitten.

 

Bij de Waterlelie is het even een avontuur om het zwembad te vinden. Het is daar nog steeds een bouwput, maar zoals bij elke verbouwing: het moet eerst een troep zijn, wil het mooi worden. Eenmaal binnen blijkt het water heerlijk van temperatuur. ‘Vroeger zwom ik in het Oosterbad’, mijmert een van mijn mede joggers die relaxed naast mij dobbert in het lauwe water. ‘En vroeg in de zomer wàs dat toch koud. De badmeester schreef ieder dag de temperatuur op het bord, dan fietste ik er langs en zei later thuis tegen mijn moeder: ‘het water is al 14 graden. Nou mag ik toch zeker wel?’

 

Die temperatuur was in haar jeugd het criterium. Dan pas ging haar moeder akkoord. We moeten er allebei om lachen, maar zeker niet aan denken. Zwemmen in veertien graden? Niet meer op onze leeftijd.

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload