Hunger Games


Het is oorlog in mijn huis, en niet zo zuinig ook. De zwarte pieten demonstraties zijn er niks bij. Ik heb allemaal vijandelijke kampen over de vloer. Sumo is te logeren en Sumo is een allerliefste zwart-witte kater met een meidenmauw. Dat zou je niet denken als je zijn postuur ziet, want hij is groot en stevig en hevig macho. Hij behoort aan mijn zoon, maar bivakkeert een paar weken bij ons, omdat zoonlief op huwelijksreis is. Het grappige is dat Sumo gelijk thuis is als hij binnenkomt. Hij weet de weg, gaat naar believen door het kattenluik naar binnen of buiten en schuimt de tuin af op zoek naar muizen en vogeltjes. Op gezette tijden komt hij binnen voor een lekkere hap. Hij woont boven, achter ons bed of bovenop de kast in de badkamer. Wij vinden dat niet helemaal handig, maar goed, het is zijn keuze. En we houden van democratie, ook onder onze huisdieren. Dus passen we ons aan en zetten zijn voer op de overloop. Onze eigen Ollie vindt het niks zo’n vreemde kerel in huis, maar ze gedoogt hem. Zolang hij maar niet te dichtbij komt.

Tot zover allemaal pais en vree. Zelfs de honden schikken zich in het feit dat een vreemde kater van tijd tot tijd door de keuken paradeert.

Maar dan is er Tuffi. Sinds wij vriendschappelijke betrekkingen hebben aangeknoopt vindt onze buurkater dat hij gewoon binnen kan komen om te inspecteren of wij een beter merk kattenbrokjes serveren dan hij thuis krijgt voorgeschoteld. En dat doet hij het liefst ’s nachts. De afgelopen week hebben we al een paar keer op een middernachtelijk uur recht overeind in bed gezeten. Ons te pletter geschrokken van het gekrijs in de badkamer. Op zijn hongertocht komt Tuffi namelijk Sumo tegen. En die pikt dat niet. ’s Nachts om drie uur liggen ze met zijn tweeën te matten voor onze slaapkamerdeur. De plukken vliegen in het rond. Sumo hengst met een paar welgemikte klappen Tuffi linea recta de trap af: opzouten jij. Wij hebben verschrikt en verdwaasd het nakijken.

De volgende ochtend, we zitten net aan tafel, springt Ollie, die zich tijdens de gevechten veilig in de huiskamer heeft verschanst, van de servieskast zo tussen onze versgeperste sapjes in: ‘Ha, gelukkig, jullie zijn weer wakker’. Ze mist op een haar na mijn bakje yoghurt. Drie katten over de vloer? Ik krijg er hartkloppingen van.