Overwinteren

Het zijn barre tijden. Ik had deze week afspraken voor interviews met matineuze kandidaten. Jongens die al vroeg aan het werk gingen en ’s avonds ook het nodige te doen hadden. Dus stond ik ’s morgens al om kwart over zeven, in nog bijna donker, de dikke lagen ijs van mijn autoramen te krabben. Muts op, sjaal om, wanten aan. Het eerste ochtendgloren liet zich al voorzichtig over de polder zien. Het beloofde een prachtige dag te worden. Ik ging het helemaal leuk vinden die winterse ochtendactiviteiten. In jaren niet meer meegemaakt.

Binnenshuis hebben we de situatie ook aangepakt. De honden mogen naar binnen. Normaal slapen ze buiten in een nachthok met een dikke baal stro erin, prima te doen ook bij een paar graden vorst. Maar de ijzige oostenwind en het feit dat de een al een oude dame wordt, was reden om ze in de hal te laten slapen. Ze vinden het helemaal raar. Terwijl we twee slaapplekken hebben gecreëerd, gaan ze heel gezusterlijk op één kleedje liggen. Ik zie ze denken: ‘Je weet maar nooit, voor het geval ze nog raarder gaan doen, zijn we nu alvast samen.’ En dan is er nog Boet. Omdat hij niet van snorkelen houdt en de KLM ook een beetje moeilijk doet, mocht hij niet mee op vakantie naar Curaçao. Juichend en kwispelend is hij binnen gekomen, met al het getut van eigen mandje, bakjes, knuffelkluif en dekentjes. ‘Jottem, ik kom lekker een weekje hier logeren.’

Mijn hondendames gedogen hem. Met zijn drieën liggen ze onder de trap.

We zijn verreweg het best bewaakte echtpaar van West Nederland. Geen inbreker die het in zijn hoofd haalt bij ons binnen te komen.

Zelf zitten we in de woonkamer op de kale houten vloer. Het hoogpolige, warm aan mijn voeten vloerkleed, ligt buiten op de picknicktafel. Schoongespoten uit te dampen en op te drogen. Ollie besloot in al haar poezenwijsheid dat het kleed een stuk lekkerder was om te plassen dan die bevroren aarde buiten. ’En die kattenbak vind ik ook niks.’ Het valt nog niet mee overwinteren.