Afscheid

July 5, 2018

Elf jaar geleden haalden we haar op, een hondje van acht weken oud: Sue. Een wit befje en witte teentjes. ‘Dat gaat nog weg’, zei de fokker. Dat ging het niet. ‘Een weeffoutje’ zei de dierenarts. 

 

Ze paste op mijn twee handen en de eerste dagen legde ik haar ’s nachts op een kleedje naast mijn bed. Om te wennen. Het werd een vriendschap voor het leven. Wolfs grauw was de officiële kleur, maar dat betekende in haar geval goudkleurig met lichtblonde plukjes. Een prachtig dier. Het was in alle opzichten mijn hond. Waar ik stond of zat was zij. We reisden heel Europa met haar door. Wandelden in de bossen van Zweden, over de kliffen van Noorwegen, langs de stranden van Spanje en Portugal en langs de Engelse zuidkust. Ze vond het allemaal best, als ze maar mee mocht. Onze kleinzonen groeide met haar op en ze werden de beste maatjes. 

 

Sue is in prima conditie’ zei de dierenarts een jaar geleden, ‘ze kan wel veertien worden’. Toch ging het de laatste weken minder. Ze werd strammer en liep ineens een stuk slechter. Zondag ging het fout. Na een wandeling in het bos en koffie op het terras, kan ze niet meer opstaan en zakt zomaar door haar achterpoten. Diezelfde avond zitten we bij de dierenarts. Ze krijgt een injectie met een turbomiddel dat binnen 24 uur moet helpen. Zo niet, dan is het afgelopen. Hans tilt haar om de paar uur de tuin in om te kijken of ze haar behoefte wil doen. Dat lukt niet. Ze kan niet op haar achterpoten staan. Ik zet ’s nachts een stretcher in de kamer naast haar mand en blijf bij haar slapen. De volgende ochtend is de situatie niet beter, haar hele achterlijf is verlamd. We leggen haar in de tuin, in de schaduw op het koele gras. Ik kan mij zo voorstellen dat een hond die wil plassen, dat in huis maar op blijft houden. In de tuin is die drempel er niet. De kleinzonen komen, de jongste in tranen. Met elkaar blijven we de hele dag bij haar zitten, een knuffel, een aai, nog iets lekkers. Ze is nog heel alert, dat hoofd mankeert niks. Ze volgt me constant met haar ogen. Als ik naar binnen ga en naar haar idee iets te lang wegblijf, doet ze een poging om op te staan, maar valt gelijk weer om. 

Als de dierenarts komt blaft ze nog: wat moet die kerel hier?  

 

 

‘Is er een alternatief?’ vraag ik hem. Dat is er niet echt. De enige optie om het dier in poep en plas te laten liggen en iedere keer schoon te maken  (de dierenarts vertelt dat sommige mensen daar serieus voor kiezen, want dan heb je je hond tenminste nog) vind ik een onwaardig bestaan. Dat kan ik haar niet aandoen. We besluiten haar in te laten slapen. En het ergste daaraan is, dat ze het accepteert en ons vol vertrouwen aan blijft kijken

’Vinden jullie dat ik een prik moet? Oké, het is niet anders.’ Tot op het laatste moment blijft ze in ons geloven, want het komt met ons toch altijd goed? Ook de dierenarts heeft er moeite mee; dat blinde vertrouwen.  ‘Zo’n hond krijg je nooit meer,’ zegt hij. Ik weet het. 

Ik denk dat we de juiste beslissing hebben genomen, want een hond verdient een dierwaardig bestaan en dat is het niet meer. Maar wat is het verschrikkelijk. Dat oneindig lieve, trouwe dier ben ik kwijt.

Met oudste kleinzoon sluit ik haar ogen. Samen met Hans wikkelt hij haar in een deken en bezorgen ze haar een mooie rustplaats. Het is goed zo. 

Maar ik ben nog niet door mijn tranen heen. 

Share on Facebook
Share on Twitter
Please reload